De Sleutel Logo

STEUN DE SLEUTEL

klik hier

 



STEUN DE SLEUTEL

klik hier

 



Verslaafd of niet?

Hoe merk je dat je afhankelijk geworden bent van drugs? Mislukken je pogingen om je gebruik te verminderen? Voel je je slecht als je niet gebruikt hebt? Bekijk onze FAQ of doe de test.

vrijdag 03 mei 2019 10:24

Stigma bemoeilijkt herstel: op zoek naar oplossingen

Voor mensen die kampen met een verslaving is stigma vaak een drempel naar een succesvol herstel. Cliënten vinden dat De Sleutel als organisatie een meer actieve rol moet spelen bij het wegwerken van stigma. Dit kwam naar boven tijdens een interne bevraging. Hoe ontstaat stigma en wat kan de hulpverlening doen om die drempel naar herstel weg te werken?

We bekijken het thema stigma samen met professor Piet Bracke, gezondheidssocioloog aan de vakgroep Sociologie van de Universiteit van Gent. Zijn bijdrage tijdens de studiedag ‘Stigma als struikelblok op de weg naar herstel’ wakkerde onze interesse aan. Een gesprek.

Bracke

Professor Bracke: “De hulpverlening werkt door haar manier van organiseren stigma in de hand. Dat wordt heel erg onderschat.”

Knipsel

Wat betekent het concept stigma voor een socioloog?

Piet Bracke: Voor sociologen is stigma een evidentie. De sociologie is bij wijze van spreken getrouwd met het concept stigma. Het is al een topic sinds de jaren vijftig. Sociologen storen zich aan het essentialiseren van personen met psychische problemen. Dat betekent dat ieder gedrag dat een persoon met een psychische problematiek stelt, geïnterpreteerd wordt vanuit zijn of haar ziekte. Bijvoorbeeld wanneer iemand opgenomen wordt met wanen, wordt alles wat die persoon doet geïnterpreteerd vanuit een veronderstelde psychose. Wij, sociologen, stellen dat het probleem niet ligt bij de persoon met psychische problemen, maar bij de anderen. Het maatschappelijk probleem is de reactie van de omgeving.


Hoe ontstaat stigma?
Stigma is een containerbegrip. In de sociologie spreken we over het stigmaproces1.

StigmaprocesSchema van het stigmaproces door professor Bracke. Gebaseerd op de theorie van Link & Phelan.

 

 

 

 

Dat proces begint met etikettering: iemand krijgt een label opgeplakt dat verwijst naar een lichamelijke of niet-lichamelijke eigenschap van die persoon.Laten we als voorbeeld rokers en niet-rokers nemen. Etikettering leidt tot stereotypering wanneer aan de groepen stereotype kenmerken worden toegekend. Bijvoorbeeld alle rokers hebben een zwak karakter. De volgende stap in het stigmaproces is groepsformatie. Jij, als niet-roker, beschouwt jezelf als fundamenteel anders dan een roker. De samenleving kijkt op dezelfde manier naar mensen met psychische problemen. Er bestaan ‘gewone’ mensen en mensen met psychische stoornissen. Wie een psychische stoornis heeft, is ‘anders’. In de hulpverlening grijpt dat proces voortdurend plaats. Zo denken hulpverleners dat zij fundamenteel anders zijn dan de cliënten die zij helpen: ‘Zij zijn ziek, wij verlenen hulp’. Maar is dat onderscheid wel zo duidelijk?

De gevolgen worden snel duidelijk. Als je deel uitmaakt van een groep die gestereotypeerd wordt, ervaar je statusverlies. Je voelt dat anderen je niet waarderen om wie je bent en je niet beschouwen als een volwaardig persoon. De laatste stap is discriminatie. Wie als minderwaardig wordt beschouwd, krijgt minder rechten. De discriminatie van personen met psychische problemen is nog altijd een feit in Vlaanderen. Iemand die tientallen jaren geleden in een psychiatrische instelling werd opgenomen voor een eetstoornis, zal vandaag de dag nog altijd gediscrimineerd worden door de verzekeringsmaatschappijen. Je bent ooit ziek geweest dus nog altijd een risico. Dat is hun redenering. Het is belangrijk om te beseffen dat het volledige stigmaproces niet los gezien kan worden van de heersende machtsverhoudingen. In een verzorgingscontext heerst zo’n specifieke machtsverhouding. Patiënten hebben natuurlijk ook stereotype ideeën over de mensen die daar werken. Een arts die veel pillen voorschrijft, wordt al snel gezien als een pillendraaier. Een strenge verpleegkundige is een ‘vervelende trut’. Maar wat een patiënt denkt over het verzorgend personeel maakt eigenlijk niets uit, het is wat het personeel denkt over de patiënt dat een grote impact heeft.


Wat zijn de voor- en nadelen aan stigma?
Het voordeel zit voornamelijk bij de personen die stigmatiseren. We moeten ons de vraag stellen waarom iemand stigmatiseert. Het antwoord is eenvoudig: om daar voordeel uit te halen. Op zich zijn we heel tolerant ten opzichte van anderen, tot op het moment dat iemand ons voor de voeten loopt. Stel je voor dat je heel tolerant bent ten opzichte van mensen met een andere huidskleur. Toch is het mogelijk dat er negatieve stereotypering optreedt als je met iemand met een andere huidskleur in concurrentie komt op de arbeidsmarkt. Mensen gaan dus stigmatiseren in competitieve situaties. Negatieve stereotypering wordt voortdurend gebruikt om de balans van de interactie te laten doorslaan zodat het de meest machtige persoon in de relatie ten goede komt. Als je gestigmatiseerd wordt, ervaar je geen voordelen. Er kunnen wel voordelen zijn aan sociale categorisering, omdat het interactie voorspelbaar maakt. Als iemand die vroeger leider was in een jeugdbeweging komt solliciteren, verwacht de werkgever dat die persoon goed zal kunnen leidinggeven.


Welke verschijningsvormen van stigma bestaan er?
Er zijn verschillende dimensies aan het begrip stigma. Een eerste belangrijk onderscheid is dat tussen personal stigma en public stigma. Mensen maken dus een onderscheid tussen wat zij denken over mensen met een psychiatrische problematiek en wat zij denken dat anderen denken over die mensen. Ik stel je de vraag of je er problemen mee hebt om iemand op jouw kind te laten babysitten die vorig jaar door een zware depressie is gegaan. Het is heel waarschijnlijk dat ik volgende reactie zal krijgen: ‘Ik heb daar geen problemen mee, maar volgens mij zullen de meeste mensen daar wel een probleem van maken’. Iedereen denkt dus minder stigmatiserend te zijn dan een ander. Die redenering is natuurlijk paradoxaal.

VrouwEen ander belangrijk begrip is zelfstigma. Dat betekent dat iemand met een psychische problematiek de stereotype ideeën die bestaan rond mensen met psychische problemen gaat overnemen en dus op zichzelf gaat betrekken. Er vindt een proces van zelfevaluatie plaats. Die mensen voelen zich minderwaardig en hebben een gebroken zelfwaarde en zelfbeeld. Dat heeft ook gevolgen voor de hulpverlening, omdat een laag zelfbeeld mensen doet twijfelen of ze ooit nog zullen herstellen.

In de literatuur neemt service stigma ook een belangrijke plaats in. We hebben vaak een negatief beeld over de zorgverstrekking in de psychiatrie. Zo heeft iedere soort dienstverlening een bepaalde graad van service stigma. Het meest stigmatiserende is een opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Iets minder stigmatiserend is een verblijf in een psychiatrische afdeling in een algemeen ziekenhuis (PAAZ). En een gesprek met een psycholoog in een praktijk is minder stigmatiserend dan een consultatie bij een psychiater. Service stigma zorgt ervoor dat mensen aarzelen om hulp te zoeken.

Het laatste waar ik aandacht op wil vestigen is associative stigma. Dat betekent dat je als naaste van een persoon met een psychische probleem ook stigma ervaart. Associative stigma bestaat tegenover familieleden, maar ook tegenover mensen die in de sector van de geestelijke gezondheid werken. Onderzoek toont trouwens aan dat associative stigma een impact heeft op arbeidstevredenheid.


Hoe komt het dat stigmaprocessen verschillen van cultuur tot cultuur?
Stigma is een cultureel fenomeen. Bijvoorbeeld in Polen en de Baltische Staten wordt sterk gestigmatiseerd. We weten dus dat er culturele verschillen zijn, maar er is nog maar weinig onderzoek gevoerd naar de oorzaak daarvan. Wat wel vaststaat, is dat de context vaak een doorslaggevende rol kan spelen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor rusteloos gedrag bij kinderen op school. De herkenning van ADHD als problematisch gedrag is onlosmakelijk verbonden met het schoolsysteem. Zonder scholen geen ADHD, zoveel is duidelijk. Dus de opkomst van het instituut van het onderwijs heeft bijgedragen tot het ontstaan van het verschijnsel ADHD en tot het stigmatiseren ervan.

Beleidskeuzes hebben ook een invloed op het stigmaproces. In een samenleving waar de meerderheid van de bevolking rookt, worden rokers niet als fundamenteel anders beschouwd dan niet-rokers. In landen waar slechts vijftien procent van de bevolking rookt, zullen er sneller stereotypen over rokers ontstaan. Ze zijn een minderheid, die door de meerderheid als ‘anders’ worden aanzien. Het is een feit dat ieder stereotype een institutionele basis heeft. Als mensen bepaalde cultuurgebonden attitudes hebben, moet je jezelf altijd afvragen hoe die in stand worden gehouden. Als er geen institutioneel kader is, zullen de attitudes snel uitsterven. Maatschappelijke processen bepalen dus voor een deel onze kijk op wat of wie ‘anders’ is. We kunnen ons afvragen of de wijze waarop we personen met psychische problemen behandelen, bijdraagt tot hun stigmatisering. In landen waar de bevolking een heel stereotiep beeld heeft over personen met psychische problemen, weegt residentiële hulpverlening in de geestelijke gezondheidszorg meestal sterk door. Een ziekenhuisopname wordt er vaak gezien als een strategie om de omgeving te beschermen, in plaats van een stap in de richting van herstel.


Is een maatschappij zonder stigma mogelijk?
We zullen nooit een maatschappij zonder stigma hebben. We moeten ons dus focussen op hoe we de negatieve gevolgen van stigmatisering zoveel mogelijk kunnen beperken. De brede maatschappelijke wortelen van stigmatisering zijn gekend. Hoe groter de maatschappelijke ongelijkheid, hoe meer stigmatisering. In samenlevingen waar ongelijkheid wordt gereduceerd tot een minimum, zoals in sociaaldemocratische welvaartsstaten, is er minder stigma. Heterogeniteit is een ander belangrijk aspect dat stereotypering en bijgevolg stigmatisering beïnvloedt. Wie in een multiculturele gemeenschap leeft, zal de ander minder snel als ‘anders’ en als een gevaar beschouwen. We weten ook dat de neiging om te stigmatiseren daalt in een samenleving waar iedereen zijn basisbehoeften vervuld zijn, omdat er dan minder competitie is tussen de mensen. Het gaat dus om brede maatschappelijke factoren die bijdragen tot meer verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar, en dus ook ten opzichte van mensen met psychische problemen.


Is er een verband tussen het ervaren van stigma en de kans op herstel? Hoe zit dat met de verslavingsproblematiek?
Zeker. Hulp zoeken in de geestelijke gezondheidszorg brengt kosten en baten met zich mee. Het is wat men noemt een package deal. Je wordt doorgaans goed geholpen, maar doordat je hulp zoekt, word je geconfronteerd met een nieuw probleem: stigma. Het is heel jammer dat mensen met psychische problemen die afweging moeten maken. Mensen die psychisch lijden hebben eigenlijk een dubbele opdracht. Ze moeten zich niet enkel bekommeren om hun persoonlijk herstel, maar ze moeten ook leren omgaan met stigma. Stigma remt dus herstel af.

Een middelenprobleem gaat vaak samen met een dubbel stigma. Enerzijds worden deze mensen gestigmatiseerd door hun persoonlijk probleem, de verslaving, en anderzijds worden ze gestigmatiseerd binnen de sector van de geestelijke gezondheidszorg, omdat hulpverleners negatieve stereotypen hebben over personen die middelen gebruiken.

Huissstijlbeeld

Professor Bracke: “Hulp zoeken in de geestelijke gezondheidszorg is een package deal. Doordat je hulp zoekt, word je geconfronteerd met een nieuw probleem: stigma.”

Ik ken jonge mensen die door zeer zware crisissen zijn gegaan, maar die zijn uitgegroeid tot personen met een succesvolle carrière en een stabiele vriendenkring en relatie. Het is belangrijk om die succesverhalen te laten horen. Zo beseffen mensen dat stereotype ideeën niet altijd de werkelijkheid zijn. Het beeld van een psychotische persoon die in de zomer met een dikke winterjas over straat loopt, is vertekend.


Werkt de hulpverlening door haar manier van organiseren stigma in de hand?
Daar ben ik pertinent zeker van. Dat wordt heel erg onderschat. Stigma wordt gezien als een culturele barrière in de zoektocht naar kwaliteitsvolle hulpverlening. Dat beseffen de mensen die werken in de sector van de geestelijke gezondheidszorg wel, maar ze beseffen niet dat het probleem ook binnenin de sector ligt, en niet enkel daarbuiten. Zij gaan ervan uit dat hun hulpverlening kwalitatief is en dus buiten het proces van stigmatisering valt. Dat is een misvatting. De geestelijke gezondheidszorg moet zich afvragen waarom sommige vormen van hulpverlening stigmatiseren en andere niet. Het antwoord is eenvoudig. Iedere vorm van dienstverlening die essentialiseert, die het persoonlijk lijden probeert te reduceren tot een stoornis in het hoofd en geen aandacht heeft voor de persoonlijke levensgeschiedenis, stigmatiseert. Subtiele processen van stigmatisering kunnen ook plaatsvinden tijdens een goedbedoelde therapiesessie. Bijvoorbeeld wanneer de therapeut aan de patiënt vraagt om in een dagboek zijn gevoelens neer te pennen. Het gevoelsleven van de patiënt wordt door de therapeut geherinterpreteerd en zijn gevoelens worden symptomen van een onderliggende problematiek. Dat is zeer bevreemdend voor de patiënt. Het gaat om een zeer subtiel proces dat mensen eigenlijk depersonaliseert.

Hoe moeten we de geestelijke gezondheidszorg organiseren om stigmatisering tot een minimum te beperken? In Vlaanderen zijn er al een aantal initiatieven die destigmatiserende hulpverlening aanbieden, maar die missen personele, financiële en institutionele ondersteuning die nodig is om zwaar te wegen op de hulpverlening. In onze geestelijke gezondheidszorg spelen ziekenhuizen nog een zeer belangrijke rol. Zolang de financiering van de dienstverlening niet structureel wijzigt, zal er weinig veranderen. In vergelijking met sommige andere landen zijn we niet zo slecht bezig. In sommige centraal- en Oost-Europese landen staat de gemeenschapsgebaseerde dienstverlening nog in zijn kinderschoenen en is er van dienstverlening aangeboden buiten de ziekenhuizen weinig sprake. De dienstverlening in de geestelijke gezondheidszorg is daar nog volledig gemedicaliseerd. Het gaat de goede richting uit in Vlaanderen, maar alles moet sneller en beter.

Elke Vandoorne, mei 2019

 

(1) Link, B. G., & Phelan, J. C. (2001). Conceptualizing stigma. Annual review of Sociology, 27(1), 363-385.

 

Aanverwante info

 

Verslag studiedag (Stigma, struikelblok voor herstel)

Stigma staat herstel in de weg

Volg ons op Facebook

filmpjeimage

Inschrijven E-zine

Invalid Input

Gelieve akkoord te gaan met onze privacy overeenkomst.
Bekijk de privacy voorwaarden.

Agenda

September
  • 8
    10:00 Zee-zeildag 2019

    Meer info over de "varen voor het goede doel" editie 2019 mag u hier binnenkort verwachten.

    Lees meer

    Link naar website o.m. met reacties van deelnemers van vorige edities.

Oktober
  • 7
    19:30 Dagcentrum Mechelen viert 25 jarig bestaan met Filmavond

    Dagcentrum Mechelen viert op maandag 7 oktober zijn 25-jarig bestaan met een filmavond. De viering wordt georganiseerd i.s.m. met het Filmhuis. Samen zetten we een parel van Gus Van Sant in de kijker: ‘Don’t Worry He Won’t Get Far On Foot.’ Een film die een mooi beeld schetst van een man in herstel. Hij maakt er het beste van, ondanks zijn beperkingen. Vooraf is er een receptie en om 20u30 vangt de film aan. Meer nieuws volgt!

  • Volledige agenda