maandag 19 november 2018 14:48

Waarom kampt een jongere die drugs misbruikt frequent met bijkomende stoornissen?

Gaat het nog goed met onze jongeren? Wie het nieuws volgt, vangt bijna dagelijks zorgwekkende signalen op. Steeds meer jongeren lijken te kampen met een depressie of eetstoornis, krijgen een etiket opgekleefd (*). Denk aan autisme, ADHD,...Ook andere trends zijn enigszins verontrustend, zoals het toegenomen binge-drinken onder jongvolwassenen en de stijgende populariteit van online-gamen en gokgedrag. We stellen eveneens vast dat drugs gebruikende jongeren vaak ook kampen met een andere problematiek. Een reden te meer om onderliggende mechanismen te onderzoeken.

Waarom blijft middelengebruik bij de ene jongere beperkt tot een experiment en gaat een andere over naar problematisch gebruik en verslaving? Bestaat er een verband met het nest waarin men opgroeit of de opvoeding die een jongere krijgt?

En hoe kunnen we als hulpverleners inspelen op deze veelheid aan vaststellingen?

We hebben een gesprek met Prof. Caroline Braet en onderzoekster Brenda Volkaert naar aanleiding van een onderzoek naar kwetsbaarheden rond emotieregulatie bij adolescenten. Het Residentieel Kortdurend Jongerenprogramma participeerde hieraan.

Prof. dr. Caroline Braet (klinisch psycholoog/gedragstherapeut) is als hoogleraar verbonden aan de UGent. Naast onderwijsopdrachten op het domein van de ontwikkelingspsychopathologie doet ze onderzoek over het ontstaan en de instandhouding van psychopathologie bij kinderen, alsook de assessment en de behandeling ervan. Momenteel leidt ze projecten op het vlak van obesitas & eetstoornissen, hechting, impulsiviteit, depressie en gedragsproblemen bij kinderen. Ze is tevens coördinator en supervisor bij het Universitair Psychologisch Centrum ‘Kind & Adolescent’ te Gent.

Professor Caroline Braet: “We doen onderzoek naar de ontwikkeling van psychopathologie bij kinderen en jongeren. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld over de ontwikkeling van problemen zoals angst, depressie, eetproblemen, bekeken vanuit een ontwikkelingsperspectief. Op basis van onderzoek naar de ontwikkeling en instandhouding van verscheidende problematieken, ontwikkelden we therapeutische protocollen voor elke problematiek. Die boeken zijn zeer gegeerd in Nederland en ook in België. Er is ook een protocol beschikbaar voor verslaving.  Maar bij mensen uit de praktijk hoor ik al langer de verzuchting: jongeren horen niet zomaar in één hokje thuis. Ze kampen niet met louter één enkelvoudige of afgelijnde problematiek. Vaak is er een dubbele diagnose, zijn er meerdere problemen tegelijk aanwezig. De vraag is dan of er niet meer op transdiagnostische processen moet worden ingezet. Dat betekent dat je kijkt naar de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van het probleem en daarin zoveel mogelijk inzet op mechanismen die het totaalprobleem van de jongere kunnen kaderen. Bijvoorbeeld als ze kampen met angst en depressie, maar ook bij het samengaan van verslaving en angst of van verslaving en depressie." 

Braet: “Transdiagnostisch zien we dat er een sterke gemeenschappelijke deler is. Temperament heeft een invloed op bv. stressgevoeligheid en het ervaren van emoties. Op zich zijn emoties niet verkeerd. Ze zijn zelfs goed. Maar sommige mensen ervaren gewoon sneller negatieve emoties dan anderen. De vraag is : hoe ga je met die emotie om? Zo zijn we bij ons onderzoek naar emotieregulatie gekomen. In 2013 hebben we de “FEEL-KJ” ontwikkeld, een zelfrapportagevragenlijst met als doel het in kaart brengen van de verschillende strategieën die kinderen en jongeren gebruiken om emoties te reguleren.”

feel kjHoe komt het dat de ene jongere wel goed met emoties kan omgaan en de andere niet?
Braet: “De resultaten van de afname van de FEEL-KJ vragenlijst toonden aan dat er twee grote groepen te onderscheiden zijn op basis van welke strategieën ze gebruiken.  Enerzijds heb je de groep die voornamelijk ‘goede strategieën’ gebruikt. Met andere woorden, emotieregulatie-strategieën waarvan uit onderzoek blijkt dat ze beschermend werken tegen de ontwikkeling van psychopathologie (= adaptieve emotieregulatie strategieën). Daarnaast heb je de groep die voornamelijk ‘minder goede strategieën’ gebruikt, dit zijn strategieën die in onderzoek geassocieerd blijken te zijn met de ontwikkeling en instandhouding van psychopathologie ( = maladaptieve emotieregulatie strategieën). Bij alle vormen van psychopathologie - zoals angststoornis, depressie, ADHD, verslaving - zagen we bepaalde patronen van emotieregulatie terugkomen die het probleem verergeren of instandhouden.” 

Hoe verklaart u dat?
Braet: “Wie als kind kleine vormen van stress ervaart, richt zich tot zijn ouders. Bij een normale ontwikkeling probeer je bij hen bijvoorbeeld troost te vinden. Op die manier leer je adaptieve strategieën. Maar helaas hebben niet alle kinderen de veiligheid van een gezin waarin die emotieregulatie aangeleerd wordt. En dan zie je dat die kinderen een tekort hebben aan adaptieve systemen. Na verloop van tijd gaan deze kinderen over naar maladaptieve strategieën. Ze worden er dus niet mee geboren.  En het werd hen niet aangeleerd om goed met die stress om te gaan. Meer concreet: baby’s hebben geen interne manieren om met emoties om te gaan. Ze hebben het nodig dat emoties extern (door zorgfiguren) worden gereguleerd. De interactie met zorgfiguren bij stress (bv. baby’s die huilen) bepaalt grotendeels de manieren die ze zullen aanleren om later zelf emoties te reguleren (1).”

Ook het RKJ, de afdeling voor minderjarigen in Eeklo, werd betrokken bij dit onderzoek. In het kader van haar opleiding master in klinische psychologie deed Brenda Volkaert twee jaar onderzoek o.l.v. Marie Lotte Van Beveren.

Brenda Volkaert: “Eén van de vragen die we ons stelden was: hoe zit het met de emotieregulatie bij jongeren in opname met een verslavingsproblematiek? Concreet was de vraag eigenlijk: welke mechanismen spelen er een rol in de ontwikkeling en/of instandhouding van problematisch druggebruik bij jongeren? Eén van de mechanismen die we onderzochten was emotieregulatie - naast comorbiditeit en hechting (2), en temperament en ouderlijke aanvaarding/verwerping (3)."  

brenda web bis

 

  

.Brenda Volkaert is als klinisch psycholoog en onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep klinische ontwikkelingspsychologie van de UGent. Ze doet onderzoek naar de rol van emotieregulatie in het behouden en/of verbeteren van het emotioneel welzijn van kinderen en adolescenten. Daarnaast is ze werkzaam als klinisch psycholoog bij het Universitair Psycholoog Centrum ‘Kind & Adolescent’ te Gent.

 

De onderzoekers opteerden er bewust voor om niet te raken aan het bestaande behandelprogramma. Er werden wel een aantal extra instrumenten ingevoerd.  Zo werd gevraagd aan de jongeren om vragenlijsten, waaronder de FEEL-KJ, in te vullen. Dat is vrij tijdsintensief en ook niet gemakkelijk. Ook gebruikten ze de SCID JUNIOR, een semi gestructureerd interview, waarbij je op basis van de DSM-5 psychopathologie kan vaststellen. Op die manier konden de aanwezige problematieken in kaart worden gebracht.

Comorbiditeit en lijdensdruk
Uit het onderzoek blijkt dat binnen RKJ De Sleutel de meerderheid van de jongeren naast het problematisch druggebruik nog (een) bijkomend(e) proble(e)m(en) heeft. Bij amper 28 % van de RKJ-populatie werd enkel de diagnose “stoornis in het gebruik van middelen ” vastgesteld. 72 % krijgt er dus een diagnose bovenop.  Bij 55 % gaat het om over een normoverschrijdende gedragsstoornis (55%), daarna volgt een periodieke explosieve stoornis (8%), ADHD (11 %), depressieve stoornis (11 %), slaapstoornissen (8%) en  eetstoornissen (8%).  Bij 14 % van de jongeren werden er tegelijk vier diagnoses vastgesteld.

De jongeren uit het RKJ rapporteren voornamelijk een verhoogde angstige hechtingsstijl en een onvoldoende gebruik van adaptieve emotieregulatie strategieën. Er werd echter geen evidentie gevonden voor een verband tussen de concepten hechting, emotieregulatie en verslaving, maar de verdere analyses tonen wel evidentie voor een verband tussen het geslacht en de lijdensdruk die de adolescent ervaart, alsook tussen adaptieve emotieregulatie strategieën en het aantal depressieve kenmerken.


Onderzoek in klinische settings is noodzakelijk

Jongeren die problematisch gebruiken komen meestal niet terecht in standaard onderzoek?
Volkaert: “Het is nochtans heel belangrijk! We kunnen pas optimaal onderzoek doen naar de ontwikkeling en instandhouding van een problematiek met behulp van klinische centra. Zo lang we dat niet doen, kunnen we de behandeling niet optimaal afstemmen, want we weten niet volledig waar we moeten op inzetten. Maar het vraagt veel van een organisatie om deelname aan onderzoek te organiseren. Daarnaast is het voor de jongeren erg intensief om deel te nemen. Ook voor de jongeren in het RKJ was dit onderzoek niet evident. Maar dankzij de wisselwerking zijn er wel dingen naar boven gekomen waar in het RKJ nog niet aan gedacht was.”

Emotieregulatie blijkt ook een belangrijke rol te spelen bij verslavingsproblematieken. Jongeren gebruiken vaak te veel maladaptieve emotieregulatie-strategieën (dus, strategieën die gerelateerd zijn aan de ontwikkeling van psychopathologie ; denk aan zich terugtrekken, agressie en onderdrukking ) en hebben een tekort aan adaptieve emotieregulatie-strategieën (dus, strategieën die beschermend werken, zoals bijvoorbeeld cognitieve herevaluatie, accepteren of afleiding zoeken).

“Het gebruik van alcohol en/of drugs kunnen we dus zien als een soort zelfmedicatie waarmee jongeren heftige emoties en bijhorende spanningen proberen te onderdrukken,” aldus de onderzoekster.

Agebouw4webDe resultaten van het onderzoek in het RKJ leren dat er een algemeen onvoldoende gebruik van adaptieve emotieregulatie strategieën gerapporteerd werd door 20% van de jongeren. 7,5% rapporteert een hoog gebruik van maladaptieve strategieën. Hierbij deze kanttekening: jongeren zijn reeds in behandeling, waardoor de meeste maladaptieve strategieën onderdrukt worden.

Volkaert: “Jongeren hebben vaak een te veel aan maladaptieve emotieregulatie-strategieën. Ze gebruiken met andere woorden manieren die op lange termijn negatieve gevolgen hebben."      

Braet: “Alcohol is zo’n voorbeeld van symptoombestrijding die de spanning niet doet verdwijnen. De ervaring van stress wordt m.a.w. onderdrukt, maar de stress blijft wel bestaan. Hetzelfde zien we bij mensen met eetproblemen. Als je constant met “arousal” zit (prikkels, opgewondenheid die kunnen worden aangetoond via hartslag, spierspanning)  dan wil je daar van af. Dan zijn alcohol, slaappillen of eten drie secundaire strategieën die zeer versterkend, belonend werken. Je voelt eventjes opluchting. Je hebt onmiddellijk effect maar het eigenlijke probleem dat spanning veroorzaakt, is niet opgelost.”

Volkaert : “Het is een soort zelfmedicatie. Jongeren gaan die drugs gebruiken om die symptomen van “arousal” te onderdrukken.” 

Zag je die zelfmedicatie ook bij jongeren in RKJ?
Volkaert: “Inderdaad. Emotieregulatie wordt zoals gezegd geleerd in relatie met context. En de relatie tussen emotieregulatie en context beïnvloedt de verslaving.” 

Braet: “We zien inderdaad een duidelijk verband met de gezinscontext, met de mate van gehechtheid, m.n. het niet-hebben van een veilige haven waarin die emotieregulatie moest geleerd worden. Dat bevestigen resultaten uit andere onderzoeken met betrekking tot hechting (2), ouderlijke verwerping en temperament (3).” 

jongerenprojectwebVolkaert: “Eerst onderzochten we of de emotieregulatie-strategieën die jongeren gebruiken, verband houden met de ernst van hun verslavingsproblematiek (zoals werd gevonden in niet-klinische populaties). We konden hier echter geen verband terugvinden. Dit kunnen we waarschijnlijk verklaren door het feit dat iedere jongere binnen het RKJ te maken heeft met ernstig gebruik en zelfs een stoornis in gebruik van middelen (100%). We zagen wel dat er een groot verschil is tussen de jongeren met betrekking tot de lijdensdruk die ze ervaren. Deze werd in kaart gebracht met de Childrens Depression Inventory (CDI), een zelfrapportagevragenlijst die peilt naar belangrijke depressieve symptomen. De resultaten van de jongeren in het RKJ varieerden van geen enkel depressief kenmerk tot de aanwezigheid van veel depressieve kenmerken. De manier waarop ze emotieregulatie-strategieën gebruiken, hield wel verband met het aantal depressieve symptomen dat ze rapporteerden. Meer specifiek vonden we dat hoe minder adaptieve emotieregulatie-strategieën een jongere gebruikte, hoe groter de lijdensdruk was.” 

Er was dus geen verband met het aantal maladaptieve emotieregulatie-strategieën die een jongere gebruikte. Wat is de implicatie?
Volkaert: “Dat leert ons belangrijke zaken voor behandeling. Onder andere wat er gebeurt als het druggebruik (of gamen of andere) moet stoppen. Je neemt eigenlijk de manier waarop ze hun symptomen reguleren, weg. Maar ze hebben wel een tekort aan adaptieve emotieregulatie strategieën. Ze gaan het op een andere – maladaptieve - manier doen.”

Omdat ze adaptieve strategieën niet aangeleerd kregen?  
Volkaert: “Inderdaad, ze hebben enkel een repertoire aan maladaptieve strategieën. Ze reguleren hun emoties door het gebruiken van drugs of alcohol (of verder, gamen of eten) waardoor dit problematisch wordt. Tijdens de behandeling wordt deze voorkeursstrategie eigenlijk weggenomen waardoor er een andere maladaptieve strategie in de plaats komt (bv. slaapmiddelen bij meisjes, agressie bij jongens)." 

Het is dus belangrijk om – heel gericht – adaptieve strategieën aan te leren?
Braet. “Ja, we zien dat een teveel aan maladaptieve emotieregulatie-strategieën en een tekort aan adaptieve emotieregulatie-strategieën eigenlijk voorkomt bij veel problematieken (angst, depressie, eetproblemen, verslaving, gedragsproblemen), waardoor wij gestimuleerd werden een therapeutisch protocol te ontwikkelen voor een emotieregulatie-training voor kinderen en jongeren. Deze training bestaat uit zes belangrijke emotieregulatie-vaardigheden die in een bepaalde volgorde moeten worden verworven en uitgevoerd. Het doel van deze training is niet om bestaande, effectieve behandelingen te vervangen, maar dient als extra behandeling, met als doel meer effectieve symptoombestrijding op langere termijn, en minder drop-out tijdens de behandeling.” 

Bedoeling is om een werkzaam en effectief protocol te ontwikkelen. Maar dit vraagt veel tijd en inspanning. Elke techniek binnen het protocol werd apart onderzocht en geëvalueerd. Hierna werd het volledige programma getest in niet-klinische settings (BOOST CAMP).

Training in scholen

Eerst werd dit uitgebreid uitgetest in scholen dankzij het project Rode Neuzen. Concreet namen  in de regio Deinze 250 kinderen deel aan een tweedaagse training. Dit onderzoek moet uiteindelijk resulteren in een preventief programma op maat van leerlingen die de overgang maken naar het eerste middelbaar.

We weten dat kinderen vanaf het baby-zijn, emotieregulatie ontwikkelen. De meeste kinderen leren zo adaptieve emotieregulatie-strategieën aan. Tussen de 11 en de 15 jaar stopt dat bij heel veel kinderen een beetje.  Ze vergeten die adaptieve strategieën eventjes.

Braet: “Dat komt omdat ze op die leeftijd hormonaal als het ware overstelpt worden door emoties. Omdat ze volop in ontwikkeling zijn, blijken ze veel gevoeliger voor emoties.  Het boek ‘Het puberende brein’ is op dit domein heel interessante lectuur.”

Volkaert: “We gaan ervan uit dat deze jongeren meer stress ervaren. Ze komen in een nieuwe omgeving, krijgen nieuwe vakken. Deze jonge adolescenten vormen eigenlijk een kwetsbare groep als het gaat over emotieregulatie. Zo zagen we via onderzoek met de FEEL-KJ dat alle adolescenten tussen de 11 en de 15 jaar minder adapatieve emotieregulatie gingen gebruiken en meer maladaptieve emotieregulatie, dit in vergelijking met jongere en oudere personen, waardoor de kans op de ontwikkeling van psychologische problemen toeneemt. Mogelijks kan dit verklaard worden door het feit dat ze biologisch gezien gewoon gevoeliger zijn voor emoties die binnen komen. Daarnaast zijn ook de hersenen nog volop in ontwikkeling en zijn de zelfcontrolesystemen niet altijd voldoende opgewassen tegen die intense emoties." 

Om in te spelen op deze kwetsbaarheid voor de ontwikkeling van psychologische moeilijkheden kunnen scholen dankzij het BOOST CAMP-programma preventief met emotieregulatie aan de slag.
Volkaert : “Bedoeling is om hen stap voor stap aan te leren wat ze kunnen doen bv als ze schrik ervaren, zich niet goed voelen, zich verdrietig of boos ben voelen: welke stappen kan ik nemen om daar goed mee om te gaan? Na de wetenschappelijke analyses om de effectiviteit van deze training te bepalen hebben we dit in een volgende stap toegepast in een klinische groep van kinderen en jongeren. In dat kader wordt de emotieregulatie-training nu ook geëvalueerd in een residentie met kinderen en jongeren met obesitas (dus, eten als zelfmedicatie). Een volgende stap is het uittesten bij een andere doelgroep: depressie bij jongeren. Onze droom is de toepassing in alle klinische residenties.  Eind dit jaar weten we of we hier middelen voor vinden.”

Braet : “Jongeren die bijvoorbeeld een slechte relatie met hun vader hebben, zeggen soms dat ze eigenlijk opnieuw thuis willen wonen. Als dat niet realistisch is, kan je wel mogelijke oplossingen aanreiken. Soms pak je het probleem aan ( vb iemand zit niet in de juiste schoolrichting). Als je echter geen vat hebt op het probleem, kan je wel werken op de onderliggende emotie.  Een jongere kan er niets aan veranderen dat zijn ouders in een vechtscheiding zitten. Maar je kan wel aan de slag met de emoties die dat teweegbrengt. Die liefdevolle aanpak werkt door op die hechting, maar dan naar zichzelf, zodat ze niet meer afhankelijk zijn van anderen.”

U maakt zelf een vlotte overgang tussen de training op school en de behandeling in het RKJ in functie van het mogelijk bijsturen van het programma…
Braet: “Ja, maar het is niet zo eenvoudig.  Brenda werkt momenteel 1 dag per week met jongeren in het Zeepreventorium (probleem met emotioneel eten) en daar merken we dat we bij sommige jongeren zeer moeilijk toegang krijgen tot die gevoelens.” 

brenda volkaert web

Volkaert: “Bij stap 2 “beleven” (klik hier voor meer info over deze training in zes stappen) zetten we bv in op emotioneel bewustzijn. Ik zie in het Zeepreventorium momenteel vier jongeren die alleen maar boos zijn. Onder die boosheid, zitten echter heel veel andere gevoelens verborgen. Die willen daar niet over praten, ze vinden dat heel onveilig.  Maar het vertelt ons wel dat het nodig is. Zoiets vraagt echter tijd om ermee te werken. Het heeft geen zin om die adaptieve emotieregulatie-strategieën aan te leren, om tegen jongeren te zeggen, je kan ook anders nadenken over je situatie, als ze de voorgaande stappen niet hebben gezet. We zien dat dit laatste vaak al ontbreekt bij klinische groepen.”

Braet : “Een andere moeilijkheid is dat jongeren soms hechtingsproblemen vertonen. Door deze jongeren eigen emotieregulatievaardigheden aan te leren, maak je ze sterker. Als ze dan later zelf vader of moeder worden, gaan ze hopelijk op een andere manier emoties reguleren, waardoor hun eigen kinderen deze vaardigheden wel kunnen aanleren. Op deze manier kan je hechtingsproblemen transgenerationeel aanpakken.”  

Volkaert: “Het meest waardevolle zou zijn om dat samen, in interactie, te doen met de ouders."

Welke perspectieven biedt de samenwerking voor RKJ?
Braet: “De mensen van het RKJ waren zeer positief over de testbatterij die we tijdens het onderzoek hebben gebruikt. Ze beslisten eigenlijk om de vragenlijsten over hechting en welbevinden en de FEEL  te blijven gebruiken. Daar zijn ze nu – los van onderzoek – zelf mee aan de slag. Een volgende stap zou kunnen zijn dat ze in de training stappen. Als we middelen vinden, willen we in 40 centra aan de slag verspreid over verschillende sectoren: dus niet alleen verslavingszorg, ook revalidatie, integrale jeugdzorg,.. “

Wie zal op termijn met jullie tools aan de slag kunnen: ook opvoeders?
Braet : “Dat is een goede vraag. We zien in het Zeepreventorium dat iedereen enthousiast is: begeleiders, psychologen,… de belangstelling is groot.  Op een studiedag waar we deze training voorstelden aan CLB waren er zelfs leerkrachten die de vraag stelden. We willen echter niet te snel gaan.  Nu is de training nog voorbehouden voor (klinisch) psychologen. ”

Kunnen we dankzij deze nieuwe inzichten de behandeling verbeteren?
Braet: “De training biedt een aantal voordelen in vergelijking met een strak protocol. We raken bewust niet aan de huidige behandeling. De training komt er bovenop. We baseerden ons hiervoor op een goede praktijk van Mathias Berking (Affect Regulation Training)  die hetzelfde onderzocht in psychiatrische centra in Duitsland. Zijn resultaten hebben me overtuigd. We willen meer doen dan brandjes blussen. En in het RKJ is er een goede basis, de jongeren vinden er een veilige context.” 

web bron flouartistiek IMG 4399 as Smart Object 1

© flouartistiek

Professor Braet ziet een tendens waarbij men stilaan het nut van het geven van etiketten in vraag stelt.  Braet: “Dat wordt de nieuwe ontwikkeling die de DSM uiteindelijk zal vervangen. Men zal straks wellicht niet langer in de categorisaties denken, maar in dimensies. Als iemand twee of drie stoornissen heeft, maar ze hebben allemaal te maken met emotieregulatie, heeft het dan nog zin om iemand een ADHD-label te geven? Onze methodiek zet niet in op een bepaalde problematiek.  Het zet in op hoe ga ik met gevoelens om. We pleiten er dus voor om ook emotieregulatie als dimensie mee op te nemen naast andere transgenerationele mechanismen zoals cognitieve processen”.

Hechting in RKJ
Er werd in het RKJ niet alleen onderzoek gedaan naar emotieregulatie maar ook naar hechting, temperament en ouderlijke verwerping. Wat betreft de hechtingsstijl behaalden 40,5% van de jongeren een verhoogde score op hechtingsangst. 18,9% van de jongeren behaalde een verhoogde score op hechtingsvermijding.
Het in het RKJ gevoerde onderzoek naar temperament binnen verslavingsproblematieken is belangrijk omdat de literatuur laat verstaan dat het niet enkel de jongeren zijn die veel negatieve emoties ervaren en deze niet gereguleerd krijgen die problematisch gaan gebruiken. Dit is ook zo bij jongeren die uit zichzelf weinig positieve emoties ervaren, en extreme prikkels opzoeken om dit wel te ervaren. Dit zou kunnen worden verklaard door het temperament. Temperament bepaalt of je gevoelig bent voor het ervaren van al dan niet negatieve of positieve emoties (klik hier voor Abstract Masterproef (3))

Emotieregulatie wordt aangeleerd in relatie met ouders. Vandaar dat hechting hierbij ook een belangrijke rol spelt. “Omdat de hechtingsrelatie teruggaat naar iets uit het verleden, kiezen we ervoor om de mediator aan te pakken.  Het komt er hierbij op aan om een mechanisme aan te leren waarbij jongeren bijvoorbeeld hun ontgoocheling of boosheid in hun ouders leren verwoorden, begrijpen en er dan effectief iets mee leren doen”, zo stelt professor Braet die ook een lans breekt voor de Attachment based family therapy van Guy Bosmans. “Als er een mogelijkheid bestaat tot gezinshereniging waardoor je de hechting aanpakt, dan zal het resultaat voor iedereen beter zijn”. 

 

Paul De Neve/Robrecht Keymeulen (november 2018)

 

(*) cijfers Federale overheid (rapport Hoge Gezondheidsraad. Kinderen en Jongeren: gedragsstoornissen in context, 2011) stellen dat 31,4% van de jongeren tussen 15 en 24 psychische problemen heeft.

(1) Dit wil niet zeggen dat jongeren met maladaptieve emotieregulatie uitsluitend ouders hebben gehad met beperkte emotieregulatie vaardigheden, soms zijn er andere factoren die dit proces beïnvloeden

(2) Brenda Volkaert e.a., Emotieregulatie bij Adolescenten met een Middelenmisbruikstoornis: een onderzoek naar kwetsbaarheden (2018) (klik hier voor een ABSTRACT)

(3) Masterproef Eva Van Malderen: De Mediatie van Ouderlijke Aanvaarding en Verwerping in de Relatie tussen Temperament en Verslaving bij Adolescenten: Een onderzoek in het residentiële centrum De Sleutel (2016).

 

 

Latest from Paul De Neve

back to top