De Sleutel Logo

Een OPNAME en MEERDERJARIG?
Bel 09 3606229
Meer info

 



Een OPNAME en MEERDERJARIG?
Bel 09 3606229
Meer info

 



maandag 02 mei 2011 08:21

Voorstelling resultaten 5de bevraging over middelengebruik bij de Brugse scholieren tussen 12 en 18 jaar.

Persbericht, vrijdag 18 juni 2010, 13.30 uur, Salons Stadhuis

Het stadsbestuur van Brugge levert via het drugpreventiebeleid al geruime tijd inspanningen om het gebruik van alcohol en andere genotsmiddelen te beperken. Hiertoe geeft zij o.a. de opdracht aan de Dienst Wetenschappelijk Onderzoek van De Sleutel om het middelengebruik bij de Brugse scholieren in kaart te brengen.

Op vrijdag 18 juni 2010, werden de resultaten van de enquête naar het gebruik van legale en illegale middelen bij de Brugse jeugd voorgesteld. Deze enquête werd in 2009 voor de vijfde maal in Brugge afgenomen: eerdere enquêtes werden afgenomen in 1993, 1996, 1999 en 2005. Nieuw voor 2009 is dat de steekproef voor het eerst werd uitgebreid naar scholieren uit de eerste graad waardoor we een uitgebreider beeld krijgen van middelengebruik bij de Brugse scholieren. In totaal werden 1500 scholieren tussen 12 en 18 jaar bevraagd.

Deze enquêteresultaten vormen niet alleen interessant studiemateriaal, het levert meteen ook de basis om het lokaal drugpreventiebeleid te inspireren.

De resultaten werden aan het publiek voorgesteld door Geert Lombaert, onderzoeksmedewerker van de Dienst Wetenschappelijk Onderzoek van De Sleutel. De resultaten werden meteen ook vergeleken met 2005 en leverden de volgende belangrijke vaststellingen op:

1. Bij de 12-18-jarigen stellen we vast dat het gebruik van alcohol het meest verspreid is. Bijna iedere jongere (86%) heeft ooit alcohol gedronken en bijna 1 op 2 (48%) was ook ooit al eens dronken. Bijna de helft (48%) heeft ooit sigaretten gerookt en één op vier (25%) heeft al eens cannabis geprobeerd. Leerlingen uit de derde graad gebruikten in hun leven meer genotsmiddelen dan leerlingen uit de tweede en eerste graad met uitzondering van slaap- en kalmeringsmiddelen. Net zoals in 2005 wordt er nog steeds een samenhang vastgesteld tussen het gebruik van alcohol, tabak, cannabis en slaap- en kalmeringsmiddelen.

2. In vergelijking met de resultaten in 2005 stellen we een opmerkelijke daling vast van recent gebruik (dit betekent: gebruik tijdens de afgelopen maand) in de leeftijdsgroep van 14-16-jarigen met uitzondering van de slaap- en kalmeringsmiddelen. In de derde graad wordt een status-quo vastgesteld bij recent gebruik van alcohol, sigaretten en slaap- en kalmeringsmiddelen. Bij de 16-18-jarigen stellen we een lichte stijging vast van dronkenschap en cannabisgebruik tijdens de laatste maand.

3. Een derde belangrijke conclusie is dat de beginleeftijden van het eerste gebruik uitgesteld zijn in vergelijking met 2005. Het aantal jongeren dat op zeer vroege leeftijd start met gebruik is gevoelig gedaald. We stellen vast dat de spilleeftijd verschoven is van 12 à 13 jaar naar 14 à 15 jaar. Het opschuiven van de beginleeftijd is hoopgevend en wijst erop dat de inspanningen op dit vlak resultaten afwerpen.

4. Het onderzoek concentreert zich niet louter op een beschrijving van het middelengebruik bij jongeren, maar probeert dit middelengebruik ook te verklaren. Door de specifieke multivariate analyse konden opnieuw een aantal duidelijke risicofactoren en beschermende factoren blootgelegd worden. Dit zijn factoren uit de leefwereld van jongeren die de kans op het gebruik van legale en illegale middelen doen toenemen of afnemen.

5. De voornaamste verklarende factor is net zoals in 2005 de normerende invloed van ouders en vrienden. Dat betekent enerzijds dat de afkeuring die jongeren ervaren vanwege hun ouders en vrienden beschermend werkt. Anderzijds vormt het gebruik van ouders en vrienden een ernstige risicofactor voor legale en illegale middelen. Dat betekent niet dat de jongere door zijn ouders en vrienden aangezet wordt om te gebruiken, maar dat de jongere het gedrag gaat vertonen van zijn vrienden en ouders.

Het voorbeeldgedrag van ouders is dus uiterst belangrijk. Dat betekent enerzijds dat ouders moeten gestimuleerd worden om hun verantwoorde-lijkheid op te nemen. Anderzijds moeten ze ook aangespoord worden om assertiever te gaan reageren op het gebruik van genotsmiddelen bij hun kinderen. Naast het werken met ouders is het ook van belang om de invloed van vrienden op het eigen gedrag beter te begrijpen en te gebruiken om preventieve campagnes in de toekomst te ontwikkelen.

6. Daarnaast komen nog een aantal sterk bepalende factoren aan het licht.

  • de toegankelijkheid die jongeren ervaren met betrekking tot het product: risicofactor
  • de risico-inschatting of mate waarin jongeren menen dat het gebruik van het product lichamelijke of andere schade veroorzaakt: beschermende factor voor sigaretten, cannabis en grote hoeveelheden alcohol
  • anti-sociaal of probleemgedrag dat de jongere vertoont: risicofactor voor sigaretten, dronkenschap en cannabis
  • uitgaan: risicofactor voor alle middelen (behalve medicatie)

Aan deze factoren kunnen heel wat uitdagingen gekoppeld worden voor het lokaal preventiewerk. Zo zal het belangrijk zijn om blijvend preventieve maar ook controlerende inspanningen te leveren rond de toegankelijkheid van alcohol en tabak. Het beïnvloeden van de risico-inschatting pleit dan weer voor preventiestrategieën die gefocust zijn op het ontkrachten van fabels rond legale en illegale middelen. Het lokaal preventiewerk moet jongeren blijvend op een ernstige en geloofwaardige manier kennis laten nemen met de effecten en risico’s van middelengebruik.

7. In het onderzoek werd ook voor het eerst nagegaan welk beeld jongeren hebben van het gebruik van middelen door jongeren uit het 6de jaar. Uit de antwoorden kunnen we vaststellen dat het gebruik met 15 tot 30% overschat wordt door jongeren. Deze overschatting komt voor bij elke leeftijdscategorie en gebeurt dus reeds vanaf de eerste graad. Jongeren die zelf gebruiken schatten het gebruik bij 18-jarigen nog hoger in dan het in werkelijkheid is. Maar ook niet-gebruikers vallen ten prooi aan de systematische neiging tot overschatting.

In vergelijking met 2005 kunnen we een positieve balans opmaken. Dit kan allicht gedeeltelijk mee verklaard worden door de talrijke inspanningen rond drugpreventie die de stad Brugge en de vele lokale actoren de afgelopen 15 jaar geleverd hebben. Deze hoopgevende vaststelling mag evenwel geen zand in de ogen strooien want tegenover een algemeen positieve trend staan enkele risicovolle gedragingen zoals overmatig drankgebruik bij 16-18-jarigen en de lichte stijging van het cannabisgebruik in diezelfde leeftijdscategorie.

Er blijven met andere woorden redenen en uitdagingen genoeg om te investeren in het lokaal drugpreventiewerk.

Burgemeester Patrick Moenaert pleit voor een verder doorgedreven drugpreventiebeleid, waarbij de rol van het lokaal bestuur en de preventiedienst vooral liggen in het samenbrengen van sectoren en intermediairen om samen goede methodes en werkwijzen in te toekomst te ontwikkelen. Om dit in de praktijk mogelijk te houden, blijft de stad ook investeren in een aantal personeelsleden die verbonden zijn aan Dagcentrum de Sleutel, het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg en het Jongerenadviescentrum.

Daarnaast breekt de Burgemeester ook een lans om het belang van ouders en vrienden verder te onderzoeken en om te zetten in concrete acties. Er werden reeds tal van inspanningen geleverd: denk daarbij aan het project Jeugdadviseurs, de informatiezuil ‘feiten en fabels’ voor jongeren en de brochure voor ouders ‘Drinken is geen kinderspel’. De resultaten anno 2010 tonen echter aan dat er ook naar de toekomst toe een doorslaggevende rol weggelegd is voor ouders en vrienden in het voorkomen van middelengebruik bij jongeren. De burgemeester nodigt de preventiedienst maar ook alle aanwezigen (scholen, voorzieningen bijzondere jeugdzorg, CLB, jeugdwerkers… ) uit om permanent te onderzoeken op welke manier ouders kunnen aangesproken worden om hun verantwoordelijkheid op te nemen en hen te ondersteunen om voor hun kinderen een goed voorbeeld te zijn. Zonder met het vingertje te wijzen moeten ouders en ook vrienden daarbij de boodschap krijgen dat ze wel degelijk een invloed hebben op het gedrag van hun kinderen en vrienden.

Het beperken van de toegankelijkheid van alcohol en andere middelen veronderstelt een constructieve samenwerking tussen het lokaal bestuur, de lokale politie en justitie. Via gerichte controles op het naleven van de wetgeving en lokale verordeningen maar ook via preventieve campagnes hoopt de stad de toegang tot bepaalde producten aanzienlijk te kunnen beperken. Tot slot moeten de inspanningen in het uitgaansleven verder gezet worden zodat café-uitbaters en fuiforganisatoren hun verantwoordelijkheid voldoende  opnemen rond het schenken van alcohol aan minderjarigen.

De resultaten van de enquête geven aan dat het huidige drugpreventiebeleid op het goede spoor zit, maar tegelijk worden een aantal uitdagingen aangeboden voor het nieuwe beleidsplan drugpreventie dat in 2011 gelanceerd wordt. Nog meer dan vroeger moet er aandacht besteed worden aan onderstaande elementen die uit het onderzoek naar voren komen:

  • Blijven uitstellen van de beginleeftijd van het eerste gebruik;
  • Overmatig drankgebruik bij 16-18-jarigen;
  • Het gebruik van ouders en vrienden;
  • De mate van afkeuring door ouders en vrienden;
  • De toegang tot een product;
  • De effectieve risico-inschatting door jongeren;
  • De relatie met probleemgedrag;
  • De (mis)perceptie van jongeren over gebruik corrigeren.

 

Drugpreventie doe je echter niet alleen maar is een gedeelde verantwoordelijkheid van de lokale samenleving. Het zal dus belangrijk zijn om als lokaal bestuur te blijven investeren in een bundeling van alle krachten die zich richten naar jongeren zodat er nog meer systematische samenwerking kan groeien.

 

 

 

 

filmpjeimage

Traject van een cliënt

Inschrijven E-zine

Invalid Input

Gelieve akkoord te gaan met onze privacy overeenkomst.
Bekijk de privacy voorwaarden.